Hoe warm kan het zijn? Deze ventilator lost niks op in ieder geval. Wankelend kutding. Kouder wordt het er niet van, ik voel alleen de plak zweet op mijn voorhoofd, de druppeltjes in mijn snor. En de bank. Jezus. Wie maakt zo’n ding dan ook van vacht? Ofja, vacht? Kleed? Textiel? Dat wat je aan doet als je het koud hebt. Sorry, ik kom niet lekker uit mijn woorden. De hitte weet je wel. Niet te harden. Kan niet goed denken. Alsof je dronken bent zonder de lekkere randjes ervan.
Druppels reizen over mijn nek en rug, licht kietelend in hun weg naar beneden. Als kleine miertjes. Ik moet even iets doen. Airco bestellen? Open mijn mobiel. Duurt lang. Scherm blijft hangen. Daar gaan we. Oh wacht. Wit scherm. En dan. Wauw. Coolblue. Scrollen op coolblue. Alles uitverkocht. Wist ik eigenlijk al. Mijn vinger laat vettige strepen achter op het scherm. Het is zó warm.
Ik sta op. Balkondeur open. Licht briesje, beetje als standje 1 van de kutventilator. Het balkon is een fout. Stenen zijn te heet, ook in de schaduw. Naar de hal. Ook warm. Adem in, adem uit. Ik word er benauwd van. Moet ik hijgen als een hond? Daar worden ze koel van toch? Slijk en schuim dat zo uit hun bek lekt. Ik probeer het (ben toch alleen thuis). Wordt er zenuwachtig van.
Drinken dan maar: Iets kouds graag. Naar de keuken (ook warm). Glimmende bromvliegen cirkelen om de vaat. Geen tijd voor nu. Viezer open. Yes. Kou. Even dat icepack tegen mijn voorhoofd aan hoor. Dan de echte prijs: Een hangende blauwe zak met ijsklontjes. Hartvormig. Lief.
Glas erbij. Met moeite duw ik die klontjes er uit. Daarna vis ik blauwe vliesjes plastic weer het glas uit. Afwas aan de kant. Kraan open. Een huiverende straal hoest naar buiten. Lauwer dan lauw wil het niet worden. Zelfs diep in de grond is het niet koud meer. Die ene rand koude aarde: Tussen de met zonnestralen bebombardeerde korst en die kolkende massa magma en gesmolten staal. Er is niet veel over meer van die dunne zeepbel koele schaduw. Nee oh nee oh nee. Ik zie die golfjes om de ijsklontjes dansen in het water: Warmte en kou met elkaar in worsteling.
Al leunend op het aanracht kiep ik het glas achterover met het ijs er gelijk achteraan. Het zijn al dunne flauwe snippers geworden tegen die tijd.
“-Oh shit!”
Ik verlies mijn evenwicht, de hand waarop ik leun schiet weg. Glijdt uit. Mijn hakken vliegen ook twee kanten op, alsof de vloer even ijs was geworden (was het maar zo’n feest). De schrik is ook even lekker kil, de plak op mijn voorhoofd voelt koud voor een moment. Maar zie ik dit nu goed? Op het aanrecht, mijn hand heeft een soort spoor achter gelaten. Alsof iemand een blok boter als een krijtje heeft gebruikt.
BONK!
BONK!
BONK!
Iemand aan de deur, mijn blik blijft gefixeerd op het spoor.
“Ja wacht effe… kom er aan.”
BONK!
BONK!
Ik hoor gedempt paniekerig gezeur en gejammer. Het klinkt eerlijk gezegd nu al als een irritante bezigheid.
“Ja! Ja!”
Duizelig. Kan niet goed denken. Eigenlijk moet ik even zitten. Maar ik ga wel naar de deur. Zo ben ik dan ook wel weer. Onderweg zie ik mijn handafdrukken op de koelkast: Eén plat op de deur, ander om die klink van de vriezer. Daar ook eentje op de deurpost. En voetsporen. Van de woonkamer naar de keuken. Zweet ik nou zo erg? Maar dit is niet doorzichtig. Alsof ik ingesmeerd in vaseline door het huis ben gaan stampen.
BONK!
SPLAT!
“Hmmmhmmmm,” ik zucht instemmend.
Mijn doel leidt me af van dit vreemde beeld. God. Mijn hoofd is zo zwaar. De deurklink. Daar zal je hem hebben. Ik zie niets meer door mijn linkeroog. Wat? Hoe kan dat? Ik krijg hem niet meer open, alsof ik bevroren zit in een onvrijwillige knipoog. Geen beginnen aan. Gestoken door een wesp ofzo? Wat is er toch aan de hand?
Eerst die klink maar. Zonder diepte te zien, wat een gedoe. Ik zie mijn arm een duik voor de klink maken. Hij mept hem even naar beneden maar deze slaat koppig terug. Zit ook onder ze plak nu (vieze vaseline). Nog een poging, nu met mijn schouder erboven.
Yes!
De deur zwaait naar binnen open.
Oh god, er ziet iets op de deur. Gadverdamme. Iemand heeft er tegen gekotst of zoiets. Een soort dikke klodder koekdeeg. Met zo’n kleverige toef die aan het smelten is. Mijn logge kop keert zich naar het trapgat. Mogelijk is het nog heter hier dan in mijn appartement. Een zware dikke hitte die bijna textuur in de lucht krijgt. Voor mijn deur ligt een grote plas aan gesmolten vanille-ijs. Het drupt geleidelijk van de treden. Het ruikt zouter dan je zou verwachten. In de plas ligt een doorweekt t-shirt. Zwart met witte strepen. Een zwart rokje. Twee Dr. Martens. Drie zilveren ringen.
“Buurvrouw?”
Oh God dit bestaat toch niet? Ben ik nu ook? Ik voel dikke zweetdruppels over mijn lichaam kruipen. Ik hoor ze op de grond vallen in de echo van het trapgat. Zulke dikke druppels. Niet in deze hitte blijven, dat is alles wat ik nu weet. Ik strompel naar achter. Mijn linkerhand vindt mijn oog. Open maken die handel, misschien zie ik het verkeerd. Mijn vingers zoeken mijn oog eerst voorzichtig: bang deze te raken. Maar dat moment komt niet. Paniek slaat toe. Het lijkt dik en gezwollen. Ergens moet toch een rimpel zijn waartussen hij gekneld zit? Ik wil het open wrikken, even licht op mijn oog laten vallen. Maar alles daar voelt hetzelfde, alsof ik rondveeg in een potje zalf. Ik trek mijn hand terug naar het gezichtsveld van mijn goede oog. Ik zie lange, kleverige draden aan mijn vingertoppen zitten, als uitgerekte kauwgom.
Shit.
Shit.
Shit.
Ik hijg als een hond. Mijn rechteroog begint te tranen. Mijn adem deelt het schrille geluid van deze paniek. Spiegel! Ik moet het zien, alsof dat iets beter gaat maken. De warmte van het trapgat volgt me de hal in. Ik voel de stappen niet meer als ik ze zet. Ik hoor ze van ver als laarzen die door een nat weiland stampen. Door de keuken naar de badkamer. Maar met mijn eerste stap over de drempel van de badkamer ga ik door allebei mijn enkels. Het doet niet eens zeer. Mijn hoofd klapt tegen de betegelde muur (met een natter geluid dan je zou hopen). Het glijdt langzaam naar beneden als een ei dat tegen een ruit is gegooid.
Verrassend zacht belandt mijn hoofd op de vloer. Ook hier groeit nu een plas van dat gesmolten vanille-ijs. Het smaakt naar mij. Ik probeer iets te roepen, maar hoor slechts een bubbelend geluid. Adem ik in, dan hoor ik geborrel op de inzakkende pudding die eerder mijn rug was. Mijn tong smelt naar buiten (roze. Aardbeienijs). Een spoor van de plas verdwijnt over de rand van het putje. Ik voel al dat ie lang niet is schoongemaakt.
Gelukkig niet in de bank, denk ik bij mezelf.
EINDE.
En vergeet niet: Hou je hoofd koel deze dagen, en maak je doucheputje op tijd schoon.